suzanna
 jansen


Johannes van den Bosch, een maatschappelijk betrokken generaal, bouwde in 1823 in het Drentse Veenhuizen drie grote gestichten. Met zijn Maatschappij van Weldadigheid wilde hij de paupers uit de steden en de wezen uit heel het land door hard werken in het veen 'opvoeden tot zelfstandigheid'.

In 1859 nam de staat het experiment over en veranderde de goedbedoelde kolonie stap voor stap in een Rijkswerkinrichting voor veroordeelde landlopers en bedelaars.

Rond 1900 kreeg Veenhuizen het aangezicht dat tegenwoordig als cultureel-historisch erfgoed wordt beschouwd: de oude gestichten werden vervangen door modernere gebouwen, de nieuwe personeelswoningen kregen stichtelijke gevelspreuken.

In de loop van de twintigste eeuw nam het aantal landlopers in Veenhuizen af, en raakten de gebouwen in gebruik als gevangenissen. Het complete dorp, eigendom van het ministerie van Justitie, was tot in de jaren tachtig van de afgelopen eeuw gesloten voor buitenstaanders.

Inmiddels zijn alleen de vijf gevangenissen van Veenhuizen nog gesloten.  In 2004 werd het enige gesticht uit 1823 dat er nog stond, verbouwd tot Gevangenismuseum.

De binnenplaats van het Derde Gesticht verbeeld in 1826, toen er zo'n duizend weeskinderen waren ondergebracht. Langs de hele buitenzijde van het gesticht woonden de 'nette' paupergezinnen en het personeel in kamers van 18m2 per gezin.
Verblijfzalen in de gestichten van Veenhuizen: de hangmatten opgehaald tegen het plafond zijn de bedden, de kastjes en bankjes langs de kant het enige meubilair. Een zaal bood plaats aan tachtig paupers, mannen en vrouwen gescheiden. De kinderen werden geplaatst in net zulke zalen in het kindergesticht, met zestig kinderen onder een 'moeder' of 'vader'.
Rond 1900 ging Veenhuizen op de schop. De gebouwen die er toen werden neergezet, en de kaarsrechte kanalen en wijken, worden tegenwoordig beschouwd als cultureel-historisch erfgoed.
Tot 1973 werden er landlopers in Veenhuizen vastgezet, 'verpleegden' genoemd. Steeds vaker meldden ze zichzelf aan om veroordeeld te worden, en kwamen na het uitzitten van hun termijn van drie jaar ook uit zichzelf weer terug. Ze marcheerden in rijen van vier naar hun werk.
Veenhuizen nu, nog altijd met de stichtelijke gevelspreuken die een eeuw geleden op de personeelswoningen zijn aangebracht.
Het Tweede Gesticht dat in 1823 voor de bedelaars en hun gezinnen was gebouwd, werd later een werkgesticht voor de gevangenen van Veenhuizen. Na een grondige renovatie is het in 2004 geopend als Gevangenismuseum.